NIET BANG VOOR HET LEVEN, NIET BANG VOOR DE DOOD

Hij zwiert nog elke week met zijn echtgenote over de dansvloer. En oud-journalist Richard Schoonhoven (85) blijft betrokken bij het nieuws – met lede ogen beziet hij hoe de journalistiek wordt gemanipuleerd. ”Ja, natuurlijk heb ik altijd de neiging ingezonden brieven te schrijven. Maar ik weet me te bedwingen, anders blijf ik aan de gang.”

 Door Marjolijn de Cocq

richard-schoonhoven_werkkamer

Toen hij 75 werd, vertelt Richard Schoonhoven, heeft hij alles afgezegd. Hij was voorzitter van dit, voorzitter van dat. “En ik heb een groot feest gegeven in het café hiertegenover. De Jonge Haan, waar we na de uitzendingen van Brandpunt altijd samenkwamen.” Brandpunt, het baanbrekende KRO-actualiteitenprogramma waarvan hij hoofdredacteur was – het brein, volgens destijds de Haagse Post – voor hij directeur televisie zou worden van de Katholieke Radio Omroep en als sluitstuk van zijn loopbaan directeur media (televisie, radio en bladen).

Hij is inmiddels 85, zijn drie kinderen veertiger en vijftigers. “Het gaat me redelijk makkelijk af, het is een voorrecht om oud te worden. Dat kan ook verschillend zijn, als je hulpbehoevend bent. Maar als je een beetje op de been blijft is het een voorrecht om je kinderen groot te zien worden. En de vijf kleinkinderen die we inmiddels hebben.”

Hij woont nog altijd in het Hilversumse huis dat hij in die Brandpunt-periode met zijn vrouw betrok. De comfortabele zitstoel met uitzicht op de omsloten tuin wordt praatstoel als het gesprek voert door de jaren van zijn opkomst in de Nederlandse journalistiek. Verslaggever was hij, hoofdredacteur, directeur, commissaris. “Ik ben journalist.”

En de nieuwsgierigheid die de journalist volgens hem moet hebben, zat er bij hem als jongetje al in. Hij werd geboren in Utrecht, bracht daar ook zijn tienerjaren door. “De oorlog, een hele spannende periode voor jonge mannen. Voor de oorlog waren er pleindiscussies tussen de NSB, die een nationaal socialistisch Nederland propageerde en de NSNAP, die wilde dat Nederland een gouw werd van Duitsland. Daar stond ik altijd met genoegen tussen als jongetje van acht jaar. Als de gemoederen te zeer verhit raakten, sloegen ze elkaar met de koppels om de oren. Mijn ouders vonden het niet goed, maar ik bleef toch gaan. Ineens voelde ik een keiharde klap tegen mijn kop. Dat was mijn vader. Het is de enige keer dat hij me geslagen heeft.”

Het moment kwam dat de radiotoestellen ingeleverd moesten worden, zijn vader vertelde dat de Duitsers wilden dat ze alleen nog maar hun stem zouden horen. “Dat fascineerde me, dat de oorlog niet begon met kanonnen maar radio’s. Wij leverden onze radio niet in. Het besef dat informatie zo belangrijk is, heb ik in die periode meegekregen. Ook door de verzetskranten. Toen is mijn genoegen voor de journalistiek ontstaan.”

Maasbode

Op zijn negentiende moest hij in dienst, 24 maanden lang. “Maar dat was niet onaardig hoor, ik leerde daar allerlei soorten mensen kennen. Ik wilde varen, riep ik, en dat heb ik geweten. Ik zat op de torpedobootjager Evertsen, en ik heb daar geleerd bij verschillende gezagvoerders hoe gezag kan worden uitgeoefend; formeel op strepen gebaseerd of op ervaring en kennis. Mijn diensttijd heeft bijgedragen aan mijn ontwikkeling. Je ontmoet veel verschillende mensen en je leert samen te werken ook in internationaal verband.”

Zijn vader had hem ingeschreven voor de studie economie in Tilburg, maar hij besloot toch te solliciteren in de journalistiek. “Ik bleef redacties aflopen. Maar ze hadden geen plaats en ik had niet de papieren. De krantjes waren toen nog klein, papier was schaars. Maar toen er meer ruimte kwam, was de katholieke middagkrant De Maasbode in Rotterdam de eerste die toen een aantal jonge journalisten aannam.”

Hij was een van hen, 21 jaar oud. Een leuke tijd, hij werd scheepvaartredacteur. De Euromast werd gebouwd als symbool voor herrijzend Rotterdam. “Ik kwam door de scheepvaart ook op Katendrecht terecht, daar hoorde ik dat een prostituee was vermoord, ze heette Tijger Annie. Niet omdat ze zo woest was, maar omdat ze de dochter was van een dompeur. Mijn chef zei: ‘Jongeman, in dit soort nieuws zijn onze lezers niet geïnteresseerd.’ Toen heb ik mijn stuk naar de Haagse Post gestuurd, waar mevrouw Hilterman de scepter zwaaide. Het werd de opening van de Haagse Post die week. Ik begreep toen dat journalistiek geen exacte wetenschap was ”

De Maasbode werd verkocht en Schoonhoven kwam terecht bij De Tijd. De sfeer was er totaal anders. “De Maasbode was door en door katholiek, maar de sfeer was er buitengewoon liberaal. Er heerste een grote mate van intellectuele vrijheid en ik heb er veel geleerd. Hoofdartikelen leren schrijven, de ontwikkeling van het Zuid-Hollands zeehavengebied meegemaakt, het begin van Europoort.”

Bij De Tijd botste ik met ongezonde wedijver. “Ik mocht de proefvaart meemaken met het passagiersschip. De Rotterdam, daar had ik een goed verhaal over geschreven. Maar de jongens van de redactie in Amsterdam hadden dat zelf willen doen en gingen mijn verhaal buiten mij om veranderen. Ik ben naar de hoofdredacteur gestapt. Ik was jong, ik had nog geen gezin en ik had al een zekere reputatie. Ik zei: ‘Als u niet kunt garanderen dat het niet meer gebeurt, ben ik weg.”

Poort van Europa

Schoonhoven maakte de overstap naar de Volkskrant, waar hij vanuit Maastricht de afbouw van de mijnindustrie versloeg. De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal was net opgericht, het eerste Europese experiment, vlak over de grens voltrok zich het Duitse Wirtschaftwunder. “Maastricht was toen hot, de poort van Europa. Ik voelde me daar als een vis in het water en schreef degelijke en opvallende verhalen. Dat bleef ook bij de KRO niet onopgemerkt.”

Brandpunt was toen nog een ‘familiemagazine’. “Puzzeltje hier, reportagetje daar. Het programma had nog geen gewicht. De programmadirecteur vroeg me of ik eindredacteur wilde worden, maar ik zei nee. Ik had zelfs nog helemaal geen televisietoestel. Een Amerikaanse journalist kruiste juist in die tijd in Maastricht mijn pad. Hij had wel oog voor de opkomst van het medium en overtuigde mij dat ik die kans moest grijpen. De KRO kwam bij me terug, tot mijn genoegen.” Lacht: “Het werd misschien ook wel al te gezellig in Maastricht.”

Joop Lücker, destijds hoofdredacteur bij de Volkskrant, liet hem node gaan. ”Hij zei: ‘Schoonhoven, televisie is niks, ze hebben geen enkele journalistieke traditie. Als je weggaat, moet je eisen dat je hoofdredacteur wordt.’ Dus ik bij Harry van Doorn, voorzitter van de KRO, eisen dat ik hoofdredacteur werd. Toen werd ik benoemd tot hoofdredacteur actualiteiten Televisie en had ik geen enkele reden meer om nee te zeggen.”

Pionieren

Hij bladert door wat hij zijn ‘boekje’ noemt: ‘Brandpunt, een journalistieke doorbraak’ (Uitgeverij Boom, 2010). Op de omslagfoto wijst hij de ‘crew’ van 1964 aan: Ed van Westerloo, Willibord Frequin, Wim van Baarle. “Het was pionieren en het werd al snel een succes. Er was geen houden meer aan. Als ik later keek naar programma’s als Pauw en Witteman, vond ik die veel te vriendelijk. Bij ons kwamen de politici met angst en beven de studio in. We hadden de eerste parlementaire rubriek, ‘Vanavond in Nieuwspoort’. Met stevige interviews, waarbij vele zaken op scherp werden gesteld. Het waren maatschappelijk en politieke onderwerpen. Dat was voor die tijd ongebruikelijk. De politiek was niet gewend openbaar verantwoording af te leggen. Het leidde soms tot conflicten. Intussen is ook de parlementaire journalistiek veranderd. De politici zijn aan het medium gewend geraakt en weten er gebruik van te maken. Onze redacteuren waren pioniers. Nu werken er complete redacties.”

Nieuwe generatie

De nieuwe digitale journalistiek, zegt Schoonhoven, is geheel aan hem voorbij gegaan. Hij was kroonlid van de Raad voor Cultuur die de overheid adviseert over de meerjarige cultuursubsidies, en heeft in de discussies over de digitale ontwikkelingen ‘tot bloedens toe’ de journalistieke traditie verdedigd dat geen anonieme bronnen mogen worden opgevoerd. “Stel je voor, er komt geen stuk in de krant waarvan de afzender niet bekend is bij de redactie. Maar op het internet is dat anders. Ik en mijn medestanders kwamen daar bezeerd uit en sindsdien heb ik me niet kunnen verzoenen met de nieuwe media met zijn anonieme scheldpartijen, verdachtmakingen en laster”

Na zijn pensionering werd zijn medewerking gevraagd door het Europees Instituut voor de Media. Het instituut maakte voor de Europese Unie na de Koude Oorlog analyses van de media in de landen achter het voormalige ijzeren gordijn. Hij was in 1992 al in St.Petersburg, werkte in Warschau, Praag en Moldavië. Aan welke invloeden was de journalistiek onderhevig was, dat probeerde hij te onderzoeken. Tijdens een seminar aan de universiteit van Syracuse (New York) had hij via zijn voorbeeld Walter Lippmann belangstelling ontwikkeld voor manipulatie en zaken als ‘mindsetting’.

“Hoewel de digitale berichtgeving aan me voorbij is gegaan, ben ik me ervan bewust dat de traditionele journalistiek er door wordt beïnvloed. Ik zie en lees steeds meer informatie die niet zo feitelijk is als wordt gesuggereerd. Wantrouwen is er nog steeds. Ik heb er een dossier van. Wellicht komt er straks nog een essay. Als de puinhopen van de implosie in de nieuwsvoorziening in Trumpland worden overzien.”

Geraffineerd clubje

Eén clubje heeft hij nog, zegt Schoonhoven een ‘heel geraffineerd clubje’. Overgehouden aan de tijd dat hij voorzitter was van het Katholiek Instituut voor Massamedia waarin de hoofdredacteuren van alle katholieke kranten verenigd waren. “Het instituut reorganiseerde. Er zijn geen katholieke kranten meer en men koos voor een klein bestuur, maar de oude club van weleer bleef als een studieclub bij elkaar. Elk jaar gaan we met z’n allen naar Rome. Als we in Rome zijn praten we overigens zelden over het verleden, maar via internationale contacten houden we ons op de hoogt  van de ontwikkelingen van de media in en rond het Vaticaan. En doen daar verslag van, ook op onze website.”

Hij blijft betrokken bij het nieuws, leest Volkskrant en NRC. ”Ja, natuurlijk heb ik altijd de neiging ingezonden brieven te schrijven. Maar ik weet me te bedwingen, anders blijf ik aan de gang.” Tochten met de  zeilboot heeft hij onlangs ingeruild voor lange wandelingen langs het strand. Hij probeert fit te blijven door elke ochtend ‘wat oefeningetjes’ te doen en zwiert eens per week, in plaats van fitnesstraining, met zijn echtgenote over de dansvloer. “Zij sleept mij  nog gemakkelijk mee met rumba, samba en jive.”

Hij vreest het onvermijdelijke einde niet. “Als je niet bang bent voor het leven, moet je niet bang zijn voor de dood. Ik hoop dat ik nog even de tijd heb, geniet nog elke dag.”